
“Je kunt op een duidelijke en afgesproken manier beschrijven wat mensen en dieren doen, en uitleggen waarom ze dat doen.”
in detail:
1.
Je kunt problemen over gedrag oplossen door biologische begrippen te gebruiken.
- Je weet wat prikkels zijn die van buiten (zoals licht, geluid of temperatuur)
- of van binnen (zoals honger of hormonen) komen
- Je kent ook speciale prikkels zoals sleutelprikkels
- en supranormale prikkels
- je weet wat een respons is (de reactie op een prikkel).
- Je gebruikt dit bijvoorbeeld bij vragen over hoe mensen kiezen als consument
- hoe je dieren op een goede manier kunt huisvesten.”
Voorbeelden:
Bij dieren: Een kuiken ziet de snavel van zijn moeder met een rood stipje → dat rode stipje is de sleutelprikkel → het kuiken begint te pikken om eten te krijgen.
Bij mensen: Als iemand heel boos kijkt, kun jij daar automatisch op reageren, bijvoorbeeld door je ongemakkelijk te voelen of juist terug te kijken. Die boze blik is dan een sleutelprikkel.
Een sleutelprikkel is dus extra belangrijk en zorgt bijna altijd voor dezelfde reactie.
Een supranormale prikkel is een overdreven versie van een sleutelprikkel. Dieren (en mensen) reageren daar nog sterker op dan op de gewone sleutelprikkel.
Voorbeelden:
Bij dieren: Een vogel legt haar eieren in een nest. Als je er een extra groot nep-ei bij legt, gaat de vogel vaak dat nep-ei broeden in plaats van haar eigen ei. Dat nep-ei is dan een supranormale prikkel.
Bij mensen: Reclame maakt eten extra lekker of mooi (grote hamburger op een poster met smeltende kaas) → dat is een supranormale prikkel die je extra veel zin geeft om te eten.
Dus:
Sleutelprikkel = zorgt voor een vaste reactie.
Supranormale prikkel = overdreven prikkel → nog sterkere reactie.: Gedrag bij mens en dier
2.
Je kunt gedrag van dieren of mensen beschrijven en uitleggen met behulp van een ethogram of protocol.
Dat doe je aan de hand van:
– wat je ziet tijdens een observatie (bijvoorbeeld buiten of in een video),
– een proefje of practicum,
– foto’s of filmpjes.
Voorbeeld ethogram – gedrag van een konijn
| Gedragscode | Gedrag | Beschrijving |
|---|---|---|
| ZIT | Zitten | Het konijn zit stil met opgetrokken voorpoten. |
| REN | Rennen | Het konijn beweegt zich snel voort door de kooi. |
| EET | Eten | Het konijn eet hooi of voedsel uit het bakje. |
| WAS | Wassen | Het konijn likt zichzelf of poetst met de voorpoten. |
| RUST | Rusten/slapen | Het konijn ligt languit of zit met ogen halfdicht. |
Voorbeeld protocol – observatie van gedrag (tijd in minuten)
| Tijd (minuten) | Gedragscode |
|---|---|
| 0 | ZIT |
| 1 | EET |
| 2 | EET |
| 3 | REN |
| 4 | WAS |
| 5 | ZIT |
| 6 | ZIT |
| 7 | RUST |
| 8 | RUST |
| 9 | EET |
| 10 | WAS |
Uitleg
Het protocol is een tabel waarin je per tijdseenheid (bijvoorbeeld elke minuut) noteert welk gedrag het dier laat zien.
Het ethogram is een soort “woordenboek” met gedragingen die je kunt herkennen.
3.
Je kunt met voorbeelden uitleggen:
– hoe mensen en dieren leren,
– hoe ze met elkaar omgaan (sociaal gedrag),
– hoe ze met elkaar communiceren, én je kunt zeggen waarom dat gedrag belangrijk is.
Voorbeelden van verschillende vormen van leren:
| Vorm van leren | Voorbeeld | Functie (waarom het handig is) |
|---|---|---|
| Trial and error | Een hond leert een trucje door proberen. | Je leert wat wel en niet werkt. |
| Imitatie | Een kind leert fietsen door anderen na te doen. | Je leert sneller door af te kijken. |
| Conditionering | Een hond gaat zitten als hij een beloning krijgt. | Gedrag wordt beloond en daardoor herhaald. |
Voorbeelden van sociaal gedrag:
| Sociaal gedrag | Voorbeeld | Functie |
|---|---|---|
| Samenwerken | Mieren die samen voedsel dragen. | Samenwerken verhoogt de kans op overleven. |
| Territoriumgedrag | Een kat die een andere kat wegjaagt. | Dieren beschermen hun leefgebied. |
| Rangorde | Kippen in een kippenhok met een duidelijke pikorde. | Zorgt voor rust en duidelijkheid in een groep. |
Voorbeelden van communicatie:
| Vorm van communicatie | Voorbeeld | Functie |
|---|---|---|
| Geluiden | Een hond blaft als er iemand aankomt. | Waarschuwen of aandacht trekken. |
| Lichaamstaal | Een kat maakt zijn rug bol en zet haren recht. | Dreigen of indruk maken. |
| Geuren | Een hond snuffelt aan plekken waar andere honden zijn geweest. | Informatie over soortgenoten achterlaten. |
4.
Je kunt in een beschrijving of voorbeeld uitleggen hoe leren, sociaal gedrag en communicatie een rol spelen bij wat mensen en dieren doen, vooral als het gaat om samenwerken of taken verdelen.
Daarbij herken je vormen zoals
Leren en gedrag
| Gedrag of leerwijze | Voorbeeld | Waarom belangrijk? |
|---|---|---|
| Inprenten | Een kuiken volgt het eerste wat hij ziet (bijv. zijn moeder). | Zorgt voor hechting en veiligheid. |
| Trial & error | Een rat leert een doolhof lopen door te proberen. | Zo leer je door fouten te maken. |
| Conditionering | Een hond gaat zitten als hij weet dat hij dan een koekje krijgt. | Helpt gewenst gedrag aanleren. |
| Erfelijk gedrag | Een spin maakt meteen een web. | Dit gedrag zit al in de genen. |
| Aangeleerd gedrag | Een papegaai leert praten. | Dit gedrag leer je van anderen of door ervaring. |
Sociaal gedrag en communicatie
| Gedrag / situatie | Voorbeeld | Functie of rol |
|---|---|---|
| Dreiggedrag | Een hond gromt en laat tanden zien. | Laat zien: “blijf uit mijn buurt.” |
| Imponeergedrag | Een gorilla slaat op zijn borst. | Om indruk te maken of af te schrikken. |
| Taakverdeling | Bijen: sommige halen nectar, anderen bewaken de korf. | Efficiënt samenwerken binnen een groep. |
| Balts & paring | Een pauw toont zijn veren aan een vrouwtje. | Dient om een partner aan te trekken. |
| Broedzorg | Pinguïns zorgen samen voor hun ei. | Bescherming en overleving van de jongen. |
| Territoriumgedrag | Een kat sproeit om zijn gebied af te bakenen. | Zo houdt hij indringers weg. |
| Rangorde | Bij apen is er een leider (alfa) die vooropgaat. | Zorgt voor orde en minder strijd in de groep. |
| Rolpatronen | In sommige gezinnen kookt de moeder en werkt de vader. | Aangeleerde taakverdeling (niet altijd gelijk). |
| Normen en waarden | In de klas wacht je op je beurt om te praten. | Helpt bij samenwerken en eerlijk samenleven. |
| Voedingsgedrag | Leeuwen jagen samen, maar de leider eet eerst. | Voedselverdeling volgens rangorde. |
| Verzorgingsgedrag | Een moederpoes likt haar kittens schoon. | Zorgt voor bescherming en gezondheid van jongen. |
Voorbeeldvraag (zoals in een toets of opdracht):
In een groep olifanten zorgen de vrouwtjes samen voor de jongen. De leider is meestal het oudste vrouwtje.
Leg uit welk gedrag je ziet en waarom dat belangrijk is voor de groep.
Antwoord zou kunnen zijn:
Dit is verzorgingsgedrag en taakverdeling. Het zorgt ervoor dat de jongen veilig zijn en goed kunnen opgroeien. De rangorde (oudste vrouwtje is leider) zorgt voor rust en structuur in de groep.
