Je moet kunnen:
- de namen van organismen opzoeken en de delen waaruit ze zijn samengesteld
- de relaties noemen en toelichten die ze onderling en met hun omgeving hebben
Dit betekent in detail:
1. Je moet via determineren de naam kunnen opzoeken van organismen en verwoorden dat aan het onderling verschillen van soorten erfelijke factoren ten grondslag liggen.
2. verbanden aangeven tussen vorm, bouw en leefwijze van organismen en de omgeving
waarin deze organismen leven, en aangeven/uitleggen hoe planten en dieren zijn
aangepast aan hun leefomgeving:
- aanpassing aan droge, natte, hete en koude omstandigheden
- kenmerken van bloemen met windbestuiving en van bloemen met insectenbestuiving, met name:
- verschillen in vorm en kleur, geur, aanwezigheid van nectar en de aanwezigheid en plakkerigheid van stuifmeel
- vorm van de meeldraden en stampers
- klimplanten, voorjaarsbloeiers, rozetvormende planten, waterplanten met drijvende bladeren.
- de organen via welke zuurstof wordt opgenomen en koolstofdioxide wordt afgegeven bij dieren, met name:
- tracheeën bij insecten
- kieuwen bij vissen
- longen, kieuwen en huid bij amfibieën
- longen bij reptielen, vogels en zoogdieren
- de poten van teengangers, hoefgangers en zoolgangers
- de functie van zwemvliezen bij watervogels, de functie van lange poten en gedeeltelijke
- zwemvliezen bij steltlopers en de functie van klauwen bij roofvogels bij zoogdieren de vorm en de functie van plooikiezen (bij planteneters), knipkiezen (bij vleeseters) en knobbelkiezen (bij alleseters)
- bij planten- en vleeseters de relatie tussen het soort voedsel en de lengte van het darmkanaal
- de functie van bepaalde snavelvormen, met name:
- een puntige snavel bij insectenetende vogels
- een kegelvormige snavel bij zaadetende vogels
- een haakvormige snavel bij roofvogels
- verschillen tussen individuen van een soort kunnen het gevolg zijn van verschillen in erfelijke aanleg en/ of verschillen in milieufactoren waaraan die individuen hebben blootgestaan
3. delen waaruit zaadplanten zijn opgebouwd benoemen, hun functie(s) beschrijven en
aangeven welke delen van planten voedingsmiddelen en/of grondstoffen leveren voor de
mens:
stengels: transport via houtvaten en bastvaten, opslag en stevigheid

- bladeren met huidmondjes: fotosynthes
- opname en afgifte van koolstofdioxide en zuurstof, verdamping van water

bloemen met kelkbladeren, kroonbladeren, meeldraden (met helmdraden en
helmknoppen), stamper(s) (met stempel(s), stijl, vruchtbeginsel en zaadbeginsel(s)):
voortplanting

vrucht met een of meer zaden: geslachtelijke voortplanting

een zaad bestaat uit een zaadhuid, kiempje en reservestoffen vooral eiwitten, vetten en zetmeel, en manieren van zaadverspreiding (m.b.v. wind, dieren, “wegschieten”)
bollen met rokken: ongeslachtelijke voortplanting en opslag van reservestoffen
knollen: ongeslachtelijke voortplanting en opslag van reservestoffen
alle genoemde delen kunnen voedingsmiddelen voor de mens leveren
4. enkele typen weefsel(s) van planten met functie(s) en bouw beschrijven:
– weefsels met onder andere fotosynthese en opslag
– vaatbundels met houtvaten (transport van water en mineralen/voedingszouten) en met bastvaten (transport van water en energierijke stoffen)
– opperhuid van stengels en bladeren met huidmondjes voor opname en afgifte van gassen en een waslaagje voor bescherming tegen uitdroging en beschadiging
– openen van huidmondjes in het licht en sluiten in het donker
– openen en sluiten van huidmondjes in relatie tot opname en afgifte van water door planten
– opperhuid van wortel
5 uitleggen wat een ecosysteem is en uitleggen/noemen welke relaties er zijn tussen
organismen bij de energiestromen in een ecosysteem:
- planten- en diersoorten noemen die een voedselketen/voedselweb of een piramide van biomassa/aantallen vormen
- in een beschreven ecosysteem producenten, consumenten en reducenten onderscheiden:
- planten zijn producenten die zelf energierijke stoffen maken d.m.v. fotosynthese
- dieren zijn consumenten die voor hun voedsel afhankelijk zijn van andere
organismen - dood materiaal in de natuur, onverteerde delen, afvalstoffen en restanten van
planten en dieren, wordt door reducenten (zoals schimmels en bacteriën)
opgeruimd /omgezet in koolstofdioxide, water en zouten, die planten kunnen
opnemen; - de koolstofkringloop
- de stikstofkringloop
- consumenten en reducenten gebruiken de energierijke stoffen uit hun voedsel voor
de verbranding en voor de opbouw van het eigen lichaam - bij het in stand houden van een organisme gaat energie verloren in afvalproducten
en door verlies van warmte
6 in een beschreven ecosysteem biotische en abiotische milieufactoren noemen en toelichten dat individuen en populaties in een ecosysteem afhankelijk zijn van en beïnvloed worden door biotische en abiotische factoren
– weefsels met onder andere fotosynthese en opslag
– vaatbundels met houtvaten (transport van water en mineralen/voedingszouten) en met bastvaten (transport van water en energierijke stoffen)
– opperhuid van stengels en bladeren met huidmondjes voor opname en afgifte van gassen en een waslaagje voor bescherming tegen uitdroging en beschadiging
– openen van huidmondjes in het licht en sluiten in het donker
– openen en sluiten van huidmondjes in relatie tot opname en afgifte van water door planten
– opperhuid van wortel
