Je kunt slimme manieren gebruiken om:
Je kunt en je wilt je eigen biologische leervermogen verbeteren
Je kent veel biologische woorden en je kunt hierover praten en luisteren/lezen
Daarvoor heb je de onderstaande vaardigheden:

1.
Biologisch bronnenmateriaal begrijpend lezen en hierbij feiten en meningen onderscheiden in:
– foldermateriaal
– studieboeken
– naslagwerken
– cd-rom/internet
– bijsluiters
– kranten/tijdschriften
2.
Informatie uit biologisch bronnenmateriaal verwerven, selecteren, verwerken en bewerken:
- tabellenboek, gegevensbank, gebruiksaanwijzing
- tekeningen, schema’s, diagrammen, tabellen, beeldmateriaal
3.
Je moet bij biologie je eigen mening of gedachten kunnen geven over een onderwerp.
- Mondeling doen (door het hardop te zeggen, bijvoorbeeld in de klas),
- Schriftelijk doen (door het op te schrijven, bijvoorbeeld in een verslag of toets).
Je geeft jouw mening of idee over een biologisch onderwerp.
➤ Bijvoorbeeld: “Ik vind het goed dat mensen genetisch advies kunnen krijgen, zodat ze beter kunnen kiezen of ze kinderen willen.”
Je legt uit waarom je dat vindt.
➤ Bijvoorbeeld: “Want dan weten ze of er risico is op erfelijke ziektes.”
Je gebruikt biologische woorden die passen bij het onderwerp.
➤ Zoals: DNA, erfelijk, mutatie, voortplanting, milieu, evolutie.
4.
basisrekenvaardigheden binnen biologie toepassen:
- schatten en afronden
- efficiënt rekenen
- rekenregels gebruiken:
- decimale getallen
- verhoudingstabellen
- eenvoudige breuken en percentages
5.
5 rekenen met grootheden en eenheden:
– eenheid bij gemeten of berekende grootheid aangeven
6.
Veilig, zinvol en doelmatig gebruikmaken van stoffen, materialen, organismen, (meet)instrumenten, apparaten en software, zonder schade te berokkenen aan organismen
en milieu
7.
Biologische begripskennis opbouwen, uitgaande van aanwezige denkbeelden:
- onjuiste denkbeelden bijstellen of vervangen
- verbanden leggen tussen begrippen
- leren door te doen
- leren door te ontdekken
- multicausale verbanden herkennen
- verschillende organisatieniveaus:
- cel
- weefsel
- orgaan
- orgaanstelsel
- organisme
- ecosysteem
- een eenvoudige product- en procesevaluatie maken en hieruit conclusies trekken
8 specifieke hulpmiddelen gebruiken zoals loep, microscoop, indicatoren (jodium en kalkwater) en determineertabel en determineerkaart
1. Jodium als indicator voor zetmeel
– Jodium (bruine/oranje vloeistof) gebruik je om te testen of er zetmeel in iets zit.
– Zetmeel zit bijvoorbeeld in aardappels, brood, pasta.
Wat gebeurt er?
➤ Als je jodium op zetmeel doet, verandert het van bruin naar donkerblauw/paars.
Dus:
– Bruin = géén zetmeel
– Blauw/paars = wél zetmeel
2. Kalkwater als indicator voor koolstofdioxide
– Kalkwater is een heldere vloeistof. Je gebruikt het om te testen of er koolstofdioxide (CO₂) aanwezig is.
– CO₂ adem je uit, planten nemen het op.
Wat gebeurt er?
➤ Als je CO₂ door kalkwater blaast, wordt het troebel/wit.
Dus:

– Helder = géén CO₂
– Troebel/wit = wél CO₂
9.
Je moet zelf actief aan de slag kunnen gaan met eenvoudige opdrachten of onderzoekjes.
Je werkt praktisch en zelfstandig en je doet dingen zelf, dus niet alleen lezen of luisteren, maar doen.
Wat doe je precies?
Evalueren (nadenken over hoe het ging)
– Wat heb je geleerd?
– Ging alles goed of zou je iets anders doen de volgende keer?
Voorbereiden
– Je bedenkt of leest wat je gaat doen.
– Wat heb je nodig? Wat ga je meten of bekijken?
- bij een biologisch schoolpracticum en/of veldpracticum
- een biologische probleemstelling herkennen en specificeren
- een biologisch probleem herleiden tot een onderzoeksvraag
- verwachtingen formuleren
- relevante waarnemingen verrichten en gegevens verzamelen
- conclusies trekken op grond van verzamelde gegevens
- oplossing, onderzoek en conclusies evalueren
