
Je moet kunnen uitleggen:
– hoe voortplanting en groei bij mensen, dieren en planten werkt,
– wat de vorm (hoe het eruitziet) en functie (het doel) van seksueel gedrag is bij voortplanting.
Uitleg:
– Voortplanting is het proces waarbij nieuwe organismen (nakomelingen) worden gemaakt. Bij seksuele voortplantingzijn daar meestal een mannetje en een vrouwtje voor nodig.
– Groei betekent dat een organisme groter wordt en zich verder ontwikkelt, bijvoorbeeld van baby naar volwassene.
– Seksueel gedrag is gedrag dat te maken heeft met voortplanting, zoals paren of lokken van een partner. De vorm is het gedrag zelf (bijvoorbeeld bij mensen: vrijen; bij dieren: baltsgedrag). De functie is het zorgen voor voortplanting, zodat er nakomelingen komen en de soort blijft bestaan.
in detail:
1.
Je moet de fasen (verschillende perioden) kunnen noemen waarin mensen lichamelijk (met het lichaam) en geestelijk(met het denken en voelen) groeien en zich ontwikkelen.
De fasen zijn:
Oudere – vanaf 65 jaar.
➤ Lichaam wordt minder sterk, kan geestelijk wat achteruitgaan, maar veel ouderen blijven lang actief.
Baby – van geboorte tot 1 jaar.
➤ Groei is snel, leert kruipen, staan, eerste woorden.
Peuter en kleuter – 1 tot 4 jaar (peuter), 4 tot 6 jaar (kleuter).
➤ Leert lopen, praten, denken wordt beter.
Kind – 6 tot ongeveer 12 jaar.
➤ Groei gaat door, leert veel op school, kan beter met anderen omgaan.
Puber – ongeveer 12 tot 16 jaar.
➤ Lichamelijke veranderingen (bijvoorbeeld groei, geslachtskenmerken), begint te denken als volwassene, gevoelens veranderen.
Jongere (adolescent) – ongeveer 16 tot 21 jaar.
➤ Wordt geestelijk volwassener, leert zelfstandig zijn, maakt keuzes over de toekomst.
Volwassene – 21 tot 65 jaar.
➤ Lichaam is volgroeid, geestelijk stabiel, werkt en zorgt vaak voor anderen.
2 delen van de voortplantingsstelsels noemen, in afbeeldingen aanwijzen en functie(s) en werking beschrijven:
- ligging, bouw en functie van eierstokken, eileiders, baarmoeder, schede (= vagina), grote en kleine schaamlippen, kittelaar (= clitoris)
- – ligging, bouw en functie van balzak, teelballen/zaadballen, bijballen, zaadblaasjes, zaadleiders, prostaat, penis, zwellichamen, urinebuis, voorhuid, eikel
3.
Je moet kunnen uitleggen:
– Wat de functies van seksualiteit zijn.
– Dat mensen verschillend denken over seksualiteit en dat dit komt door opvattingen, normen en waarden.
Functies van seksualiteit
Seksualiteit kan verschillende functies (doelen) hebben, zoals:
– Voortplanting: kinderen krijgen.
– Liefde en verbondenheid: laten zien dat je van iemand houdt en je verbonden voelt met die persoon.
– Genot en plezier: seks kan fijn zijn en plezier geven.
– Spanning en nieuwsgierigheid: ontdekken wat je fijn vindt en wie je bent.
Verschillen in opvattingen, normen en waarden
Niet iedereen denkt hetzelfde over seksualiteit. Dit hangt af van:
– Opvattingen: wat iemand vindt of gelooft over seksualiteit.
– Normen: regels over wat je goed of fout vindt om te doen (bijvoorbeeld: “je wacht met seks tot je een relatie hebt”).
– Waarden: wat mensen belangrijk vinden (zoals respect, liefde, trouw, vrijheid).
Opvattingen, normen en waarden kunnen verschillen per:
– Persoon,
– Gezin,
– Cultuur,
– Geloof,
– Tijd (wat vroeger normaal was, is dat nu misschien niet meer, of andersom).
Het is belangrijk om met respect om te gaan met verschillen tussen mensen op dit gebied.
4 beschrijven hoe de voortplanting van mensen verloopt:
- – primaire en secundaire geslachtskenmerken bij de vrouw en de man
- – verloop van de menstruatiecyclus, met name:
- ontwikkeling van eicel in eierstok
- ovulatie
- opbouw baarmoederslijmvlies
- menstruatie (verval baarmoederslijmvlies
- bouw en functie van een eicel en een zaadcel
- processen tijdens de zwangerschap, met name:
- bevruchting in de eileider
- delingen in de eileider
- innesteling in baarmoederslijmvlies
- ontwikkeling embryo/foetus
- ligging en functies van vruchtvliezen, vruchtwater, navelstreng en placenta
(moederkoek) - het verloop van zwangerschap en geboorte met indalen, ontsluiting met weeën, uitdrijving met persweeën en nageboorte
- eeneiige tweelingen, twee-eiige tweelingen
- vormen en funct
5.
de werking van voorbehoedmiddelen beschrijven:
- condoom
- spiraaltje
- sterilisatie
- pessarium
- invloed van de “pil” als ovulatieremmer
6.
stadia in de levenscyclus van zaadplanten met geslachtelijke voortplanting noemen,
inclusief aspecten van het overwinteren van een plant:
- ontkieming, groei en bloei
- bestuiving en bevruchting
- ontwikkeling van een kiempje uit een bevruchte eicel, een zaad uit een zaadbeginsel en een vrucht met zaden uit een vruchtbeginsel
- aspecten van het overwinteren van een plant:
- met blijvende bovengrondse delen met of zonder bladeren
- als zaad
- alleen afsterven van de bovengrondse delen
- opslag van reservestoffen in de wortels
7.
Je moet met voorbeelden kunnen uitleggen wat het verschil is tussen:
– Geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten,
– Ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten,
en deze twee vormen kunnen herkennen en toelichten.
Geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten
Bij geslachtelijke voortplanting zijn manlijke en vrouwelijke geslachtscellen nodig:
– De manlijke geslachtscel zit in het stuifmeel.
– De vrouwelijke geslachtscel zit in het eicelletje in het zaadbeginsel van de bloem.
Bij deze vorm van voortplanting vindt bevruchting plaats:
– Het stuifmeel komt op de stamper van een bloem.
– Een stuifmeelkorrel groeit naar het zaadbeginsel en bevrucht de eicel.
– Daarna ontstaat er een zaadje waaruit een nieuwe plant kan groeien.
Voorbeeld: appelboom, tulp, zonnebloem.
Ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten
Bij ongeslachtelijke voortplanting is geen bevruchting nodig. De plant maakt zelf nieuwe planten, zonder geslachtscellen. Deze nieuwe planten hebben hetzelfde erfelijk materiaal als de moederplant (ze zijn klonen).
Manieren waarop dit kan gebeuren:
– Via uitlopers: bijvoorbeeld bij aardbeienplanten.
– Via bollen: bijvoorbeeld bij tulpen of uien.
– Via stekken: een afgesneden deel van een plant groeit uit tot een nieuwe plant.
Voorbeeld: aardbeienplant (uitlopers), tulp (bollen), wilg (stekken).
Samenvatting:
| Soort voortplanting | Geslachtelijke voortplanting | Ongeslachtelijke voortplanting |
|---|---|---|
| Bevruchting nodig? | Ja | Nee |
| Geslachtscellen betrokken? | Ja (stuifmeel en eicel) | Nee |
| Erfelijk materiaal | Mix van twee planten (variatie) | Zelfde als moederplant (klonen) |
| Voorbeeld | Appelboom, zonnebloem | Aardbei (uitlopers), tulp (bollen) |
