
Je moet kunnen uitleggen hoe het lichaam zich verdedigt tegen antigenen (ziekten) met behulp van antistoffen én hoe deze afweer kunstmatig versterkt kan worden.
In detail:
1.
Antigenen onderscheiden die de vorming van antistoffen tot gevolg hebben:
- virussen
- bacteriën
- schimmels
- lichaamsvreemde cellen en stoffen
- bloedgroepantigenen (ABO-systeem en resus)
2.
De aanwezigheid van antistoffen in verband brengen met een besmetting van mens of (landbouwhuis)die
“Je kunt uitleggen dat antistoffen in het lichaam betekenen dat iemand (of een dier) een besmetting heeft gehad.”
3.
Je kunt uitleggen hoe antistoffen worden gebruikt om een biologisch probleem op te lossen. Daarbij kun je informatie uit een tekst of opdracht goed begrijpen, verwerken en duidelijk presenteren. Bijvoorbeeld:
- Bij bloedgroepbepaling kun je met antistoffen onderzoeken welke bloedgroep iemand heeft (A, B, AB of O) en of iemand rhesuspositief of rhesusnegatief is. Zo kun je bepalen of iemand veilig bloed kan krijgen bij een bloedtransfusie.
- Bij verwantschapsonderzoek kun je met antistoffen en erfelijk materiaal uitzoeken of mensen familie van elkaar zijn, bijvoorbeeld bij een vaderschapstest.
- Bij het opsporen van onbekende antigenen kun je antistoffen gebruiken om te ontdekken welke stoffen er in het lichaam aanwezig zijn, bijvoorbeeld bij ziektes of infecties.”
4.
Je kunt uitleggen hoe het lichaam extra beschermd kan worden tegen ziektes, op kunstmatige én natuurlijke manieren.
Kunstmatige bescherming (door de mens gedaan):
- Actieve immunisatie: je krijgt een vaccin met verzwakte of dode ziekteverwekkers. Je lichaam maakt dan zelf antistoffen aan.
- Passieve immunisatie: je krijgt kant-en-klare antistoffen, bijvoorbeeld via een serum. Je lichaam hoeft zelf niets te doen.
- Vaccins en sera worden gebruikt bij mensen én bij dieren, bijvoorbeeld om vee gezond te houden.
- Antibiotica kunnen helpen bij het bestrijden van bacteriële infecties. Die doden of remmen bacteriën in je lichaam.
5.
Je kunt uitleggen wat er gebeurt bij allergieën, transplantaties en auto-immuunziekten, en wat dat te maken heeft met antistoffen en bescherming van het lichaam.
- Bij een allergie reageert je lichaam heftig op stoffen die eigenlijk niet gevaarlijk zijn, zoals pollen, stof of pinda’s. Je afweersysteem maakt dan antistoffen tegen die stoffen, terwijl dat niet nodig is. Dat zorgt voor allergische klachten zoals niezen, jeuk of benauwdheid.
- Bij een orgaantransplantatie kan het lichaam het nieuwe orgaan als ‘vreemd’ zien. Het afweersysteem kan dan antistoffen aanmaken om het orgaan aan te vallen. Daarom krijgen mensen medicijnen die het afweersysteem onderdrukken.
- Bij een auto-immuunziekte maakt het lichaam antistoffen tegen de eigen cellen. Het afweersysteem valt dan per ongeluk het eigen lichaam aan. Voorbeelden zijn diabetes type 1 of reuma.”
