
De kandidaat kan: 1 een verband leggen tussen soorten materialen, hun eigenschappen en praktische toepassingen in het dagelijks leven en bij beroepssituaties:

2 uitleggen wanneer een voorwerp zinkt, zweeft of drijft; uitleggen, waarom een voorwerp zinkt, zweeft of drijft: – dichtheid 3 stoffen herkennen en onderscheiden aan de hand van ten minste de volgende (stof)eigenschappen: – fase (vast, vloeibaar of gasvormig) bij normale druk en temperatuur – kleur – geur – oplosbaarheid in water – kookpunt – smeltpunt – geleiding van elektriciteit – dichtheid 4 uitleggen welke gevaren het gebruik van bepaalde stoffen met zich meebrengt, hoe deze gevaren worden aangegeven en hoe deze gevaren zijn tegen te gaan: – gebruik van veiligheidskaarten – voorzorgsmaatregelen nemen: – beschermingsbril – labjas – plastic handschoenen – gifwijzer – pictogrammen: – schadelijk of irriterend – explosief – bijtend – ontvlambaar – giftig – niet mengen – brandbevorderend 5 uitleggen hoe bij de keuze van stoffen en materialen rekening kan worden gehouden met effecten voor het milieu: – grondstoffen – productie – transport – recycling – afvalverwerking 6 uitleggen wat de gevolgen zijn voor het milieu van het gebruik van grondstoffen en de productie van afvalstoffen: – bodem, lucht en waterverontreiniging – lozing en verwerking – uitputting van natuurlijke bronnen – duurzaamheid 7 manieren noemen om verantwoord met afval om te gaan: – scheiden en hergebruik: – glas – batterijen – kleding – papier – gft – kca – composteren – storten – verbranden 8 ten minste de volgende processen uit het dagelijkse leven herkennen als een natuurkundig proces of een chemische reactie

Formules
Dichtheid berekenen:
\[ρ={{m}\over V}\]
\[ \]
