Constructies

De kandidaat kan
1 in constructies optredende krachten onderscheiden, hierbij aangeven welke krachten op welk 
voorwerp worden uitgeoefend en de nettokracht op een voorwerp aangeven of berekenen

2 een kracht weergeven als een vector en hiermee krachten samenstellen en ontbinden in constructies

3 de ligging van het massamiddelpunt bij een homogene balk en staaf bepalen en weten dat in dat punt 
de resultante van de zwaartekracht aangrijpt

4 berekeningen maken en redeneringen uitvoeren waarbij natuurkundige begrippen en formules worden 
toegepast in constructies:
5 uit bronnen over constructies, gegevens verzamelen en verwerken:

Formules:

Zwaartekracht berekenen:

\[{F}_{z} = m · g\]

Momentenwet berekenen:

\[M = F · l\]

Momentenwet berekenen:

\[{M}_{linksom} = {M}_{rechtsom}\]