De kandidaat kan 1 in elektrische schakelingen de onderdelen naar aard en functie onderscheiden en de symbolen ervan herkennen:

2 het principe van een gesloten stroomkring toepassen in serie- en parallelschakelingen. 3 uitleggen hoe een stroomkring beveiligd kan worden: – hoofdzekering – groepzekering – aardlekschakelaar – randaarde – 'dubbele' isolatie 4 het onderscheid noemen tussen geleiders en isolatoren in praktische toepassingen. 5 schema’s van schakelingen gebruiken, interpreteren en aanpassen, ten minste: – inbrekersalarm – automatische deurbediening – elektronische temperatuursensor – schemerschakeling – dimmer – discolichten 6 in serieschakelingen en in parallelschakelingen een relatie leggen tussen spanning en stroom en hiermee berekeningen uitvoeren Weerstand = spanning : stroomsterkte spanning = Weerstand · stroomsterkte Stroomsterkte = spanning : weerstand 7 het vermogen van apparaten, het totale vermogen en het energieverbruik berekenen in serieschakelingen en in parallelschakelingen Vermogen = spanning · stroomsterkte Spanning = vermogen : stroomsterkte Stroomsterkte = vermogen : spanning 8 het totale energiegebruik van elektrische apparaten meten met een kWh-meter en energiekosten Energie = Vermogen (in kiloWatt) · tijd (in uren) 9 een beargumenteerde keuze maken uit gelijksoortige elektrische apparaten ten aanzien van energiegebruik, rendement, capaciteit, levensduur en veiligheid, ten minste: – spaarlampen – leds – accu’s – huishoudelijke apparaten – moderne apparaten (bv LCD-schermen, smartphone)berekenen Basisberoeps mag met woordformules werken, in het examen
