Wat moet je kunnen?

Je moet kunnen uitleggen:
– Wat het zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel doen en hoe ze werken.
– Hoe gedrag ontstaat door wat er in je lichaam gebeurt (inwendige prikkels) en door wat er om je heen gebeurt (uitwendige prikkels).
Uitleg van de begrippen:
- Zenuwstelsel: zorgt ervoor dat signalen snel door je lichaam gaan. Het bestaat uit je hersenen, ruggenmerg en zenuwen. Hierdoor kun je snel reageren, bijvoorbeeld als je je hand terugtrekt van iets heets.
- Zintuigstelsel: bestaat uit je ogen, oren, neus, tong en huid. Hiermee neem je prikkels (informatie) uit je omgeving waar, zoals licht, geluid, geur, smaak of aanraking.
- Hormoonstelsel: maakt hormonen aan (chemische stoffen) die allerlei processen in je lichaam regelen, zoals groei, emoties of de bloedsuikerspiegel. Hormonen werken minder snel dan zenuwen, maar het effect duurt langer.
- Gedrag: wat je doet als reactie op een prikkel.
– Inwendige prikkels: komen van binnenuit, zoals honger, dorst of pijn.
– Uitwendige prikkels: komen van buitenaf, zoals licht, geluid of aanraking.
Je gedrag wordt dus bepaald door wat je voelt of merkt, van binnen én van buiten. Je lichaam verwerkt al die prikkels via het zenuwstelsel, zintuigstelsel en hormoonstelsel, en daarna reageer je daarop met gedrag.
In detail:
1.
toelichten dat gedrag bij dieren uit een reeks samenhangende handelingen bestaat, en kan aan de hand van concrete voorbeelden uitleggen dat gedrag afhankelijk is van inwendige en uitwendige prikkels
2.
delen van het zenuwstelsel noemen, in afbeeldingen aanwijzen, en functie(s) en werking
beschrijven; soorten zenuwcellen benoemen en onderverdelen:
- bouw, ligging en functie van delen van het centraal zenuwstelsel, met name:
- grote hersenen: bewustzijn, zintuiglijke waarneming en bewuste beweging
- kleine hersenen: coördinatie van bewegingen
- hersenstam: verbinding tussen grote hersenen en ruggenmerg en een rol bij reflexen in hoofd- en halsgebied
- ruggenmerg: verbinding van organen met hersenen en een rol bij reflexen van
romp en ledematen
- bouw van een zenuwcel met cellichaam en uitlopers
- ligging en functies van typen zenuwcellen:
- schakelcel
- gevoelszenuwcel
- bewegingszenuwcel
- gevoelszenuw, bewegingszenuw, gemengde zenuw
- reflex is een vaste, onbewuste reactie op een bepaalde prikkel:
- terugtrekreflex
- strekreflex
- kniepeesreflex
- pupilreflex
- functies van een reflex: onbewust regelen van motoriek, snel reageren bij kans op onverwachte beschadiging van het lichaam

3.
ervaringen/waarnemingen van zintuig-practicumproeven in biologische termen weergeven
4.
delen en omringende delen van de gehoororganen, van de ogen en van zintuigelementen
in huid, neus en tong in afbeeldingen aanwijzen en functie en werking ervan beschrijven:
- van het gehoororgaan, met name:
- oorschelp
- gehoorgang
- trommelvlies
- trommelholte/middenoor
- buis van Eustachius
- gehoorbeentjes: hamer, aambeeld, stijgbeugel
- slakkenhuis met zintuigcellen
- gehoorzenuw
- evenwichtsorgaan
- van de ogen, met name:
- wenkbrauw
- wimper
- traanklier
- traanbuis
- oogspier
- harde oogvlies
- hoornvlies
- vaatvlies
- iris met kringspieren en lengtespieren
- pupil: de opening in de iris
- lens: accommoderen
- glasachtig lichaam
- netvlies met gele vlek en blinde vlek
- oogzenuw
- ligging en functie van staafjes en kegeltjes


5.
Je moet kunnen uitleggen dat je met je zintuigen prikkels uit de omgeving opvangt (zoals licht, geluid of aanraking). Die prikkels worden in je zintuigen omgezet in signalen, dat noem je impulsen.
Deze impulsen gaan via zenuwen naar je centrale zenuwstelsel (je hersenen en ruggenmerg). In je hersenen worden de impulsen verwerkt, zodat je weet wat je voelt, ziet, hoort, enzovoort. Dat noemen we waarnemen.
Kort gezegd:
Prikkel → zintuig → impuls → hersenen → waarnemen
6.
Je moet kunnen uitleggen dat bewust gedrag (gedrag waar je zelf over nadenkt, zoals iets pakken of lopen) wordt aangestuurd door je hersenen.
Je hersenen geven dan een impuls (signaal) via zenuwen naar je spieren, en daardoor ga je iets doen.
Voorbeeld: je ziet een bal (waarneming), je besluit hem te vangen (bewuste keuze), je hersenen sturen een signaal naar je armen en handen, en dan vang je de bal (gedrag).
7.
De samenstellende delen van de huid en het onderhuids bindweefsel noemen, in afbeeldingen aanwijzen en functie(s) beschrijven:
- bouw, ligging en functies van de delen van de huid, met name:
- opperhuid met hoornlaag met dode cellen en kiemlaag met delende cellen en zenuwuiteinden van de ‘pijnzintuigen’
- lederhuid met bloedvaten, haarzakjes, talgklieren, haarspieren, zweetklieren en zintuigen
- haren
- onderhuids bindweefsel met vetcellen
- de rol van de doorbloeding, vet en de mate van zweten bij de temperatuurregeling
- de rol van de hoornlaag bij de bescherming tegen infecties, uitdroging en
beschadigingen - de rol van pigment (in de kiemlaag) bij de bescherming tegen ultraviolette straling

8.
Je moet kunnen uitleggen hoe hormonen werken.
Hormonen zijn stoffen die door klieren in je lichaam worden gemaakt (zoals de schildklier of alvleesklier). Ze gaan via het bloed naar andere plekken in je lichaam. Daar zorgen ze ervoor dat bepaalde processen op gang komen of stoppen.
Hormonen regelen bijvoorbeeld:
– je groei,
– je bloedsuiker,
– je emoties,
– of je honger of dorst hebt.
Hormonen werken langzaam, maar hun effect duurt vaak lang. Ze zorgen ervoor dat het lichaam goed blijft werken.
9.
hormoonklieren noemen, in afbeeldingen aanwijzen en functies en werking met de nodige detaillering beschrijven, met name van:
- hypofyse: productie van hormonen voor regeling groei, beïnvloeden van andere hormoonklieren
- schildklier: stimulering van verbranding in cellen
- eilandjes van Langerhans (in de alvleesklier): productie van de hormonen insuline en glucagon die het suikergehalte in het bloed regelen; diabetes
- bijnieren: productie van het hormoon adrenaline dat de activiteit van spieren, de ademhaling en de bloedsomloop versnelt en het glucosegehalte van het bloed verhoogt
- eierstokken en teelballen: productie van geslachtshormoon voor het ontstaan van secundaire geslachtskenmerken; productie van geslachtscellen

