De kandidaat kan
1 de begrippen hanteren die een geluid kenmerken:
– toonhoogte (frequentie)
– geluidssterkte
2 herkennen dat geluid ontstaat bij een geluidsbron, zich uitbreidt door een tussenstof en waargenomennkan worden door een ontvanger, hiervan toepassingen noemen en berekeningen met de geluidssnelheid uitvoeren:

3 de verandering van de toonhoogte (frequentie) van een snaarinstrument in verband brengen met de
lengte en de spankracht in de snaar (kwalitatief)
4 metingen van geluidssterkte interpreteren en bronnen van geluidshinder aangeven:
– geluidssterktemeter
– computermetingen
– dB(A)-schaal
– gehoorgrenzen (tussen 20 Hz en 20 kHz)
5 de mogelijke gezondheidsschade in verband brengen met de geluidssterkte en tijdsduur en suggesties
doen voor maatregelen tegen geluidshinder ten minste:
– geluidswal
– geluidsscherm
– gehoorbeschermers
– dubbele beglazing
